Interview – Ja, dit ben ik

“Mijn kleding is eigenlijk een vertaling van wie ik ben. Maar mijn lichaam beslist tegenwoordig mee. Daardoor is comfort geen luxe geworden, maar een voorwaarde. Binnen die grenzen zoek ik nog steeds naar iets waarvan ik denk: ja, dit ben ik.” Enkele zinnen uit de beschrijving die Judith Bottigliero mij heeft gegeven vooraf aan ons interview.

Judith vindt kleding leuk maar heeft hier en daar een hobbel te nemen, die het aanschaffen van kleding niet vanzelfsprekend maakt. Daarover later meer.

Ik doe maar wat

Judith vindt dat haar kleding een vertaling van wie zij is. “Ik hou van rock, kunst, kleur en een beetje eigenwijs. In de praktijk uit zich dat zo: “Ik doe maar wat, maar het voelt wel altijd als ‘ik’. De ene dag een jogging pak, de volgende keer een jurk met hakken. Thuis ga ik me niet opdoffen terwijl ik loop te stofzuigen, maar het is leuk om me aan te passen als ik ergens heenga. Ik wil niet uit de toon vallen, maar ook niet dertien in een dozijn zijn.” Ze geeft een voorbeeld: De Stadsgehoorzaal in Rotterdam is sjiekig. “Laatst had ik daar een jurk met een zwart jasje aan. Stropdas erbij, maar dan wel eentje met een kat erop.”

Niet ‘Nel achter de bar’

Judith wordt ook heel erg aangetrokken tot de panterprint. Het liefst draagt ze een heel pak in die print, maar er moet wel een soort onderbreking inzitten, zoals de rode streep in het pak dat ze graag draagt. Verder is niet ieder type panterprint haar smaak. Ze kan niet goed beschrijven welke haar niet bevalt, maar ze weet wel “Ik wil niet Nel achter de bar uitstralen. Met hoog getoupeerd blond haar.”

Verder heeft Judith een grote voorkeur voor houthakkersruiten, vooral voor de winter heeft ze wel 20 bloesjes in die ruiten. In alle kleuren.

Ze is er niet echt mee bezig wat ze wil uitstralen, maar ze weet wel dat er altijd naar haar gekeken wordt. “Mensen beginnen altijd met me te praten, terwijl ik dat niet echt wil. ”Ik denk dat het door mijn kledingkeuze komt.” “En je tatoeages?”, vraag ik.

Je moet jezelf bewijzen

Dit maakt iets los bij Judith “Voorheen werkte ik de palliatieve zorg en zag ik er niet uit als een standaard zuster. Dan hoor je de mensen al snel denken ‘die kan dat werk niet’. Maar ‘die lange met dat rooie punkhaar en die tatoos’ hadden ze toch vaak nodig”, zegt Judith met enig leedvermaak. Door haar afwijkende uiterlijk moest ze veel meer haar best doen om te bewijzen dat ze dat werk heus wel kon.

Judith begon midden 90er jaren in de zorg te werken;  in een tijd dat je nog een jurk aan moest. “Of meer een aardappelzak”, omschrijft ze grijzend. Als de R in de maand zat, moest ze een panty aan. “Ik was toen een jaartje of zestien maar had al een eerste tatoeage, vlak boven de enkel. Die moest verborgen blijven onder de sokken. Ook piercings waren onacceptabel: pleister erover of uit.” Tegenwoordig is het allemaal wat gemakkelijker, maar in de palliatieve zorg is dit soort uitingen nog steeds niet helemaal geaccepteerd. “Er komt van alles”, vertelt Judith. “Van straatwerker tot directeur. En de familie erbij!“

“De medewerkers in een hospice zijn qua uiterlijk misschien anders, maar innerlijk zijn we wel allemaal hetzelfde. Veel zwarte humor. Veel mensen denken dat je daar de hele dag aan het huilen bent, maar dat is echt niet zo. Je lacht ook veel met de patiënten, want iedereen heeft de dood geaccepteerd. Dan haal je alles eruit wat er nog in zit. Ik droeg daar geen uniform. Er was geen afgesproken kledingcode, maar ik ging daar natuurlijk niet met T-shirt met een doodshoofd lopen”, lacht Judith.( Judith houdt veel van ‘metal’. Op deze concerten wordt dit soort kleding gedragen)

“We hebben op een gegeven moment jasjes voor het werk aangeschaft, omdat onze kleding toch wel vies werd. Daar maakten we wel iets leuks van met een stof met vlindertjes en zo.” Haar patiënten werden er vrolijk van, maar ze kreeg wel commentaar van de geestelijk verzorger. “Dat ik te veel kleur droeg!!! Maar daar heb ik me nooit wat van aangetrokken.” Judith heeft ook met oudere demente mensen gewerkt. “Die vonden mijn tatoeages leuk. Ik kreeg altijd complimenten.”

Tatoeages

Die tatoeages… “Als je eraan begint, raak je verslaafd. Die geur…, dat gevoel…. Op vakantie laat ik er vaak eentje zetten als aandenken. Op mijn 16e dus die eerste vlak boven mijn enkel. Later een hele schattige op mijn toen prachtige platte buik.  Ik  had echt van die ‘broodjes’ en had me niet bedacht hoe lelijk dat zou worden als je zwanger bent.” Judith kan er smakelijk om lachen. Je bent Rotterdammer of niet, dus heeft Judith de skyline van de stad en een ode aan Feyenoord op haar lijf getatoeëerd. “En net zoals iedereen in de jaren 90 heb ik zo’n ‘trash stamp’, zo boven de bilnaad. Gelukkig maar een kleintje” grijnst Judith. En zo heeft ze nog enkele heel persoonlijke en familie gerelateerde tatoos laten aanbrengen.

Verschillende sokken

Grappig feitje: Judith draagt aan elke voet een andere sok. “Peter doet het nu ook, sinds hij bij ons gewoond heeft. Verschillende sokken draag ik al mijn hele leven, maar in mijn gezin is het vooral een praktische oplossing: Ik was het zo zat die sokkenparen bij elkaar te zoeken! Er was geen beginnen aan, joh. Twee van de vier kinderen trekken nog steeds verschillende sokken aan. Lotta maakt het helemaal bont. Zij trekt rustig een linker wandelsok aan de rechter voet. En aan de andere voet een volstrekt andere sok, bijvoorbeeld een hele dunne sok en dan ook nog binnenstebuiten. Het interesseert haar echt niet. Intussen wil mijn zoon wel matchende paren en heeft nu alleen maar zwarte sokken. Giulia heeft witte en zwarte sokken, dat is ook wel makkelijk bij elkaar te zoeken.“

Het lichaam beslist mee over de kleding

‘Haar lichaam beslist tegenwoordig mee’, staat aan het begin. Wat bedoelt ze daarmee? Judith heeft een supergevoelige huid door haar MS en dunne vezel neuropathie. Haar werk heeft ze tot haar grote spijt moeten opgeven. “Vroeger trok ik aan wat ik er leuk uit vond zien. Nu ga ik eerst het stofje voelen en dan pas kijk ik ‘vind ik het leuk?’” Aan strakke jeans moet Judith nu niet meer denken. Ook leggings zijn binnen drie minuten weer uit. Dan gaat die lekkere wijde broek weer aan.

Judith let niet op de etiketten in kledingstukken en heeft zich er niet in verdiept welke stoffen voor haar geschikt zijn. Ze haat winkelen en bestelt alles online. Ze merkt dus pas of een stof goed is als die binnenkomt. Wél heeft ze intussen uitgevonden dat gewassen katoen haar bevalt.

Veilig voelen

Naast haar lichamelijke klachten zit Judith op het autistisch spectrum. Dat heeft ook invloed op haar kledinggedrag. “Autisme maakt dat ik kleding eerst voel en daarna pas zie. Veel mensen kiezen iets omdat het mooi is. Ik kies eerst of mijn lichaam het verdraagt. Pas daarna kijk ik of ik het mooi vind. Als kleding goed voelt, geeft dat rust in mijn hoofd. Dan hoef ik daar geen energie meer aan kwijt. Daarom gebeurt het wel dat als ik de deur niet uit hoef,  ik in de winter de hele dag, dag in dag uit in dezelfde hoody met fluffy broek loop. Ik had op een gegeven moment een ZEEMAN hoody. Daar kon je me echt in uittekenen. Kanariegeel, helemaal niet mijn kleur maar die zat zó lekker! Dat voelt dan veilig. Net zoals met eten. Ik kan maandenlang elke dag hetzelfde eten. Je weet wat je krijgt, dat geeft rust.”

Er zijn van die periodes dat ik eigenlijk niets anders wil dan thuisblijven. Dat gevoel wordt veroorzaakt door de MS, maar zeker ook door mijn autisme. Ik maskeer mijn autisme soms te veel, dat maakt me moe en dan wil ik met rust gelaten worden.

Dat kan lastig zijn in een gezin met vier kinderen. Judith gaat vaak bij Peter uitrusten. “Peter is dan toch aan het werk en dan heb ik bij hem thuis het rijk alleen. En toen ik met periodes in het ziekenhuis lag, ging Peter mijn man Angelo weer helpen met koken en de kinderen.”

Tot slot

“In mijn hoofd ben ik nog de Judith van voor mijn MS. Ik stond altijd aan. Nog steeds eigenlijk, alleen mijn lijf niet meer. Mijn lichaam waarschuwt als het niet gaat, maar die grenzen moet ik nog leren.”

LEES OOK

Interview – Kleurrijk door het leven

Plaats een reactie